De
eenheid van goed en kwaad
(Living Buddhism, februari 2002) Vertaling Karen de Groot
Het ontwikkelen van de moed om het goede en het kwade in ons te
accepteren
Het slechte van destructie is als een schaduw die door het goede van
creatie wordt afgeworpen. De natuur geeft en neemt leven. Zelfs op het
niveau van lichaamscellen bestaat het kwade van verval en dood zij aan
zij met het goede van groei en gezondheid.
Bijvoorbeeld, hoewel het precieze mechanisme van kanker onbekend blijft,
heeft onderzoek aangetoond dat de kwaadaardige verandering van een cel
verbonden is met kankerverwekkende genen, genaamd oncogenen. In normale
cellen worden oncogenen proto-oncogenen genoemd, die de groei van cellen
bevorderen en gereguleerd worden door cellulaire genen, genaamd tumor
onderdrukkende genen. Met andere woorden, tumor onderdrukkende genen
beheersen de genen die groei stimuleren, welke de mogelijkheid in zich
hebben om kwaadaardig te worden. (‘Kanker: Veroorzaking.’
“De oorzaak van ziekte: abnormale groei van cellen.” Encyclopedia
Britannica, CD 1999). Zodoende bestaat in iedere cel van het lichaam
niet alleen het potentieel voor kanker, maar ondersteunt het eveneens
de groei en gezondheid van iedere cel.
Wat betreft de aard van goed en kwaad verklaart Nichiren Daishonin:
“Goed en kwaad hebben inherent in het leven bestaan sinds
de tijd zonder begin… Het hart van de Lotus scholing is de leer
van de drieduizend gebieden in een enkel levensmoment, die onthult dat
zowel goed als kwaad inherent aanwezig zijn, zelfs binnen degenen die
in het hoogste stadium van volmaakte verlichting zijn. De fundamentele
aard van verlichting manifesteert zichzelf als Brahma en Shakra, terwijl
de fundamentele duisternis zichzelf manifesteert als de duivelskoning
van de zesde hemel”. (De geschriften van Nichiren Daishonin p.
1113)
De Daishonin legt uit dat alle mensen begiftigd zijn met het hoogste
goed en het hoogste kwaad, net als met alle mogelijke levensstaten daar
tussenin. We kunnen zo goddelijk zijn als ‘Brahma en Shakra’
of zo duivels als de ‘duivelskoning’. Met andere woorden,
goed en kwaad zijn aangeboren, onafscheidelijke aspecten van het leven.
Dit boeddhistische begrip wordt de ‘eenheid van goed en kwaad’
genoemd. Deze leerstelling betekent echter niet dat kwaad goed is, noch
houdt het in dat het onderscheid tussen goed en kwaad irrelevant is.
In plaats daarvan leert het ons om, door middel van geloof in de universele
goedheid van het leven, het kwade vanbinnen waar te nemen en te overwinnen
– waardoor we het kwade van buitenaf overwinnen.
In de context van de leerstelling van de Daishonin betekent goed, de
‘fundamentele aard van verlichting’, ofwel absolute vrijheid
en geluk die voortvloeit uit een grote mate van zelfkennis. Kwaad duidt
de ‘fundamentele duisternis’ aan, ofwel het aangeboren waanidee
in het leven dat het potentieel voor verlichting ontkent en wat jezelf
en anderen tot lijden brengt. Deze innerlijke duisternis weergalmt de
wanhoop dat ons leven afschuwelijk en zinloos is: het slaat een wig
van angst die de harten van de mensen verdeelt in ‘wij’
en ‘hen’.
In deze zin kan het begrip van goed en kwaad van de Daishonin beter
worden opgevat als de dynamische, aangeboren werking van het leven die
zich ofwel manifesteert of slapende is, dan als de uiterlijke morele
codes die zijn bepaald door culturele en sociale omstandigheden.
Een Boeddha is iemand die de moed heeft om deze twee fundamentele aspecten
van het leven te erkennen. Zoals de Daishonin verklaart:
“Degene die zich terdege bewust is van de aard van goed en
kwaad, van de wortels tot en met de takken en bladeren, wordt een Boeddha
genoemd”. (WND, p. 1121)
Boeddha’s accepteren hun natuurlijke goedheid zonder arrogantie,
omdat ze weten dat alle mensen dezelfde boeddha natuur met elkaar delen.
Boeddha’s herkennen eveneens hun aangeboren kwaadheid zonder wanhoop,
omdat ze weten dat ze de kracht hebben om het te overwinnen en dat ze
hun negativiteit kunnen beheersen. Boeddha’s begrijpen de harten
van mensen in ontelbare condities en omstandigheden. Boeddha’s
zijn in staat om anderen tot hun eigen ontwaken te leiden. Dit komt
omdat Boeddha’s dezelfde omstandigheden als ieder ander delen,
maar ze hebben de kracht en wijsheid om hun eigen kwaadheid te beheersen.
Veel van onze moeilijkheid om de werking van goed en kwaad te kunnen
waarnemen ligt gelegen aan onze onwil om het potentieel van zowel het
hoogste goed als kwaad in ons eigen leven te erkennen. We willen onszelf
niet zien als heel goed of heel slecht en verschuilen onszelf in de
plaats daarvan achter een collectieve morele middelmatigheid zodat het
niet nodig is om de verantwoordelijkheid op ons te nemen voor goedheid,
noch het schuldgevoel van kwaadheid.
Om de verantwoordelijkheid te kunnen ontvluchten dat we ons bewust worden
van het volle potentieel van onze aangeboren goedheid, zeggen we, “Ik
kan niet zo goed zijn als…” Om schuldgevoel te vermijden,
zeggen we, “Ik kan niet zo slecht zijn als…” (Je kunt
de puntjes invullen met de namen van degenen waarvan je denkt dat ze
heel erg goed of heel erg slecht zijn, of ‘Boeddha’ op de
eerste puntjes en ‘duivel’ in de laatste.)
Voor sommigen onder ons echter, schijnt onze morele dubbelzinnigheid
van het zelf te eisen dat we een scherp oordeel over anderen vellen
– degenen waar we geïnteresseerd in zijn als “goede
mensen” en degenen die we niet mogen als “slechte mensen”
– alsof we onze innerlijke verwarring willen compenseren met onze
geforceerde helderheid naar buiten toe. Anderen schijnen niet in staat
te zijn om de duidelijk zichtbare slechtheid van de mensheid te veroordelen
uit angst om zelf te worden veroordeeld. Zulke mensen vrezen het oordeel
van anderen omdat ze zelf de moed niet hebben om hun eigen potentieel
voor goed en kwaad te zien. Met als resultaat dat onze kijk op de wereld
bekrompen wordt, zo niet verwrongen.
Paul Tillich, een bekende filosoof en theoloog uit de vorige eeuw,
zei: “De moed hebben om jezelf te bevestigen moet inhouden dat
je de moed hebt om je eigen demonische diepte te beamen”.
In hetzelfde opzicht zei Carl Jung: “Iedereen draagt een schaduw
met zich mee en hoe minder dat is belichaamd in het denkende leven van
het individu, hoe zwarter en compacter de schaduw is”. (Psychologie
en religie, p.93) Ook maakte Jung de volgende opmerking over een persoon
die de moed ontwikkelt om het potentieel van het kwaad in zichzelf onder
ogen te zien: “Zo’n persoon weet dat wat er ook verkeerd
is in de wereld, het in hemzelf zit en alleen als hij leert met zijn
eigen schaduw om te gaan, dat hij dan echt iets heeft gedaan voor de
wereld”. (ibid pp. 101-02)
De Daishonin had de moed om zijn eigen ‘demonische diepte’
te zien, omdat hij in alle eerlijkheid schreef: “Ondanks dat ik,
Nichiren, niet een man van wijsheid ben, heeft de duivel van de zesde
hemel geprobeerd bezit te nemen van mijn lichaam. Maar ik heb een tijdlang
zo goed opgepast, dat hij nu niet langer bij me in de buurt komt”.
(WND, p.310)
De Daishonin had de moed om zijn eigen fundamentele duisternis te zien.
Ondanks deze nuchtere realiteit, riep hij geloof in zijn aangeboren
Boeddhaschap op en overwon zo de neiging die eigen is aan het leven
om de eigen hoogste werkelijkheid te ontkennen. Zoals hij zei:
“Een scherp zwaard waarmee men door de fundamentele duisternis
heen kan snijden, wordt alleen in geloof gevonden”. (Gosho Zenshu,
p.751)
Het geloof dat ons de gelegenheid geeft om de vrijheid en het geluk
van Boeddhaschap te ervaren is synoniem met de moed om ons potentieel
voor zowel goed als kwaad in te zien. Het proces van het accepteren
en uitdagen van onze fundamentele duisternis is onvermijdelijk het proces
van het openbaren van onze aangeboren verlichting. Evenzo moeten onze
inspanningen om anderen te helpen zich bewust te worden van hun eigen
zelfontkennende waanideeën vergezeld worden van inspanningen om
hen te helpen zich bewust te worden van hun eigen zelfbevestigende kracht
van verlichting. Zonder het een, is het andere onmogelijk
Het begrijpen van onze aangeboren goedheid en kwaadheid is het ervaren
van de vreugde van de acceptatie van ons gehele wezen. Zoals Tillich
zei, “Vreugde is de emotionele uitdrukking van het moedige ‘Ja’
tegen je eigen ware wezen”. Zo’n eerlijke en moedige acceptatie
van het zelf duidt ook het begin aan van de wezenlijke verandering van
ons leven en de wereld om ons heen.
Door Shin Yatomi, deels gebaseerd op Yasashii Kyogaku (Gemakkelijke
boeddhistische studie) gepubliceerd door de Seikyo Press in 1994
index
This page was last modified on Sunday, August 20, 2006.
|
Context
item here
|